uiteenzetting oivo

Wettelijke garantie ten overstaan van de professionele verkopers
Dieren worden door het Burgerlijk Wetboek beschouwd als “roerende goederen”. De wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten in geval van verkoop van verbruiksgoederen is er dus op van toepassing. Daarbij is de verkoper eraan gehouden de koper een goed te leveren en te garanderen dat “conform” is aan de overeenkomst en dit gedurende 2 jaar, te rekenen vanaf de aankoop. De wet maakt echter een onderscheid tussen de eerste 6 maanden (tijdens dewelke zonder meer aangenomen wordt dat de fout een conformiteitsfout is) en de daaropvolgende 18 maanden (tijdens dewelke de consument mogelijk het bewijs zal moeten leveren dat het wel degelijk om een conformiteitsfout gaat).

Dankzij die garantie kan de consument van de (professionele) verkoper eisen :
1° dat het dier omgeruild of « hersteld » (terug op de been gebracht) wordt, volgens de keuze van de koper en zonder kosten voor die laatstgenoemde;
2° dat, ingeval de herstelling of vervanging onevenredig of onmogelijk zou zijn of niet binnen een redelijke termijn uitgevoerd kan worden, een gepaste prijsvermindering of de vernietiging van de verkoop zou volgen, rekening houdend met wat mogelijk en redelijk is.

Bijvoorbeeld: als een pup vroegtijdig (binnen de maand) sterft vanwege een ziekte opgelopen in de kennel, wordt die ziekte verondersteld al bestaan te hebben op het moment van de verkoop. De koper zou de omruiling van het dier of de terugbetaling van de prijs kunnen vragen. Voor zijn
verdediging moet de verkoper bewijzen dat de pup die ziekte niet had op het moment van de aflevering. Er zal wel geoordeeld worden dat er geen tekortkoming is als de koper op de hoogte gesteld werd of als hij redelijkerwijs moeilijk niet kon weten van de ziekte bij de afsluiting van de
overeenkomst (bijv. omdat het dier hoestte).

Garantie tegen verborgen gebreken (artikels 1641 e.v. van het B.W.) :

Het is een verplichte garantie bij verkoop, wanneer het gekochte goed een defect heeft dat niet zichtbaar is, maar die het goed onbruikbaar maakt of het gebruik zo sterk vermindert dat de koper het niet of enkel tegen een lagere prijs gekocht zou hebben indien hij van het probleem op de hoogte was geweest.
Deze garantie geldt zowel voor overeenkomsten tussen een verkoper en een consument als voor overeenkomsten tussen particulieren.
Ze is echter moeilijker in te roepen omdat meerdere voorwaarden vervuld moeten zijn :

1. Het gebrek moet bestaan, al is het maar in een beginnend stadium, op het moment van de aankoop.

2. Het gebrek moet verborgen zijn en van ‘enige ernst’. De rechtspraak beschouwt doorgaans als verborgen gebrek: elk gebrek dat bij een aandachtig nazicht door een voorzichtig en toegewijd man niet opgemerkt zou worden. Bovendien wordt enkel als ernstig beschouwt: « elk defect dat het goed ongeschikt maakt voor het gebruik waarvoor het bestemd is » (art. 1641 B.W.). Behoorlijk ernstig is « elk defect dat de bruikbaarheid zo sterk vermindert dat de koper het nooit gekocht zou hebben of er maar een lagere prijs voor betaald zou hebben als hij het geweten had ».

3. Het gebrek moet gekend zijn door de verkoper en niet gekend zijn door de koper. De koper moet dus bewijzen dat de verkoper te kwader trouw handelde, wat soms moeilijk is. Als de verkoper een professional is, zal verondersteld worden dat hij van het gebrek wist en moet bijgevolg hij (de verkoper) het bewijs leveren dat het gebrek hem onbekend was (wat eveneens moeilijk kan zijn).

4. Het inroepen van de garantie tegen verborgen gebreken moet gebeuren “op korte termijn” na de ontdekking van de verborgen gebreken (art. 1648 B.W.).

Deze criteria zijn abstract en zullen van de inschatting door de rechter afhangen. De oplossingen voor de koper zijn minder ruim dan bij de wettelijke garantie.
Naargelang de ernst van het verborgen gebrek kan de koper ofwel een prijsvermindering ofwel een vernietiging van de verkoopovereenkomst eisen, met teruggave van het goed en terugbetaling van de volledige prijs ervan.